Voorzitter Onderwijsraad: 'Ons mbo staat in het buitenland juist hoog aangeschreven'

22 november 2022 · Leestijd 3 min

Het mbo heeft in Nederland niet altijd een even goede reputatie. Onterecht, vindt Edith Hooge, voorzitter van de Onderwijsraad. Ze wijst erop dat het mbo in het buitenland juist goed aangeschreven staat.

"Die hoge reputatie in het buitenland zit hem erin dat je binnen het Nederlandse mbo heel hoogwaardig een vak leert", zegt Hooge. "En je krijgt algemene vorming, zodat je niet alleen maar vast zit in dat vak maar je ook breder kunt ontwikkelen."

In veel andere landen bestaat beroepsonderwijs helemaal niet. "Of het wordt gedaan door bedrijven. Dan zit je bijvoorbeeld vast aan een bepaald bedrijf of een heel specifieke sector nadat je klaar bent met je opleiding."

Gelijke kansen

Dat het mbo in Nederland vaak toch wat minder goed aangeschreven staat, ligt volgens Hooge deels aan onwetendheid. "Veel mensen weten niet hoe goed de kwaliteit is. Dat wordt echt onderschat. Ook door de mensen die het beleid maken en door mensen in het onderwijs."

Tekenend voor hoe de discussie over het mbo in Nederland gevoerd wordt, vindt ze het debat over kansengelijkheid. "Dat vinden we belangrijk en daar gaat het veel over. Maar je ziet ook dat gelijke kansen vaak wordt gelijkgesteld aan gelijke kansen voor verschillende groepen mensen om hbo of wo te doen. Terwijl gelijke kansen juist zou moeten betekenen dat iedereen de kans krijgt om onderwijs te volgen en werk te doen op zijn niveau, dat bij hem past en waar hij zijn ei in kwijt kan."

Hoe dan wel?

Wat moet er dan veranderen? Allereerst zou Hooge graag zien dat leerlingen langer kunnen oefenen met verschillende vormen van onderwijs voordat ze een keuze maken. "We hebben een harde scheiding tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Dat leerlingen daar zo vroeg tussen moeten kiezen is heel Nederlands, in veel landen heb je tot je vijftiende of zestiende om die keuze te maken."

Wat ook niet helpt, is dat we in het onderwijs een onderscheid maken tussen beroepen die je met je hoofd uitvoert en beroepen die je met je handen uitvoert, zegt Hooge. "Dat spoort ook helemaal niet met hoe het echt gaat. Als je bijvoorbeeld monteur wordt heb je zowel je handen als je hoofd en je hart nodig. En op veel werkplekken werken mbo’ers, hbo’ers en wo’ers samen aan dezelfde projecten."

Tot slot zou het goed zijn als leerlingen makkelijker kunnen doorstromen, vindt Hooge. "Dus dat je direct naar het mbo zou kunnen als je in vwo-4 zit en je merkt dat je interesse hebt in beroepsgerichte vakken."